Introductie Moestuin bij het Redemptoristinnenklooster in Sambeek, 2002
Kloosterlingen geven al eeuwenlang vorm en functie aan de kloostertuin: van de representatieve voortuin tot
besloten siertuinen, nutstuinen en recreatievelden.
Helaas verliezen steeds meer kloostercomplexen hun oorspronkelijke functie.
Wat gebeurt er vanaf dat moment met de kloostertuin?
Dit artikel bevat informatie uit de rapportage "Van Paterstuin tot Koningsbosch, Rijksbeschermde
kloostertuinen, een verkenning" uitgevoerd in 2021 door SB4 Bureau voor historische tuinen, parken en
landschappen.
Ooit vormden kloosters beeldbepalende complexen in vele dorpen en steden; soms als gesloten enclave, soms
als centrum van sociale zorg en onderwijs.
Als gevolg van maatschappelijke veranderingen neemt het aantal kloosters als religieus centrum in hoog
tempo af.
Veel kloosters zijn al herbestemd of bevinden zich in een transformatieproces.
Ook het omliggende terrein of de bijbehorende tuin kan veranderen als de functie en daarmee het beheer
wijzigt.
Andere kloosters moeten zich noodgedwongen aanpassen aan een kleinere, soms oudere bewonersgroep.
Ook hierdoor zijn veranderingen in inrichting en beheer te verwachten.
Klooster met tuin Een Lourdesgrot bij Heilig Hartklooster in Steyl, 2021
Een klooster is een woongemeenschap, waar mannen of vrouwen zich wijden aan een religieus leven.
Dit kloosterleven bestaat hoofdzakelijk uit werken of studie, bidden of bezinnen, en vindt plaats volgens
bepaalde voorschriften en afspraken.
Alle activiteiten spelen zich af in of vanuit het kloostercomplex.
Tot het complex behoren in ieder geval een woongebouw en een gebedsruimte, veelal aangevuld met bijgebouwen.
Ook een tuin vormt een onlosmakelijk onderdeel van het klooster, zowel ruimtelijk als functioneel.
De kloostertuin is vrijwel altijd omsloten, afgeschermd van de buitenwereld.
De ommuring biedt kans om ongestoord te kunnen werken of bidden.
Nuttig Begraafplaats bij Klooster in Diepenveen, 2007
De tuin had in eerste instantie een functionele oorsprong.
De aanwezigheid van een moestuin garandeerde de zelfstandigheid.
In geval van een gesloten kloosterorde was de productietuin essentieel voor de zelfvoorzienendheid.
Denk aan groenten-, kruiden- en bloementuinen, bouwlanden, weide en bessenstruiken, fruit- en notenbomen.
Later plaatste men ook kassen in de moestuin.
Ook werden er vaak dieren, visvijvers, bijen en gevogelte gehouden.
Op met name grotere kloosters (abdijen) speelde wijn- en bierproductie een rol.
Medicinale kruidentuinen waren van belang voor de bewoners zelf en vooral ook voor zorgverlenende kloosters.
Bloemen werden gekweekt voor op het altaar.
Bij de jongere kloosters was er een sportveld om te ontspannen en te bewegen.
Contemplatief Landschapsstijl tuin bij St. Michaelklooster in Steyl, 2020
De tuin verwees niet alleen naar het Hof van Eden waaruit de mens was verstoten, maar ook naar de natuur op
aarde als zijnde Gods schepping.
Een centraal element was hiervan veelal onderdeel zoals een boom of waterbron.
Hierin raakten twee aspecten van de tuin elkaar: als plek voor bezinning en als plek voor ontspanning.
In deze tuindelen stonden bijvoorbeeld vaak devotiebeelden van Maria en andere heiligen welke werden omringd
door veel groen zoals een wand van coniferen en andere heesters.
Ook stond er vaak een kruiswegstatie, een Lourdesgrot of een kapel.
Begraven Verwilderde kloostertuin met appelboom, 2020
Een vast onderdeel van een kloostertuin was ook de begraafplaats voor de overleden kloosterlingen.
Begraafplaatsen lagen veelal afgezonderd, aan de rand van het terrein of als omsloten deeltuin, soms als
eenvoudig grasveld met eenvormige graftekens, soms waren er wintergroene boom- en heestersoorten te vinden.
Verder konden er ook bloeiende bomen als de magnolia of paardenkastanje staan.